De Russische president Poetin heeft het regelmatig over ‘de eigenlijke oorzaken’ van de oorlog in Oekraïne. Nu voegt ook de Russische kerk haar stem bij dit verhaal. In zijn nieuwe boek ‘Oorlog. Voorbij de zichtbare oorzaken en gevolgen’ geeft patriarch Kirill de Russische oorlog tegen Oekraïne een religieuze rechtvaardiging. Voor het Russische onafhankelijke nieuwsplatform Meduza las de historicus Ilja Venjavkin het boek. Hij onderzocht hoe Kirill de noodzaak van de oorlog beargumenteert vanuit een religieus-ideologisch perspectief. De onderstaande tekst is gebaseerd op Venjavkins recensie, gepubliceerd op het online-platform Meduza.
Anno 2026 bepaalt de Russische staat steeds meer wat burgers mogen zeggen en denken, en vooral wat niet. Onafhankelijke media worden verboden of geblokkeerd en op uitspraken tegen de oorlog kunnen lange gevangenisstraffen volgen. Tegelijkertijd gaan bestuurders, historici en kerkelijk leiders door met hun pogingen om een samenhangende ideologie voor het gemilitariseerde Rusland te formuleren en te verspreiden. Schoolboeken beschrijven de oorlog als een voortzetting van de eeuwenlange confrontatie met het Westen. Studenten krijgen verplicht onderwijs over Rusland als een unieke beschaving, met eigen waarden en een eigen toekomst. De staat blijkt voorlopig vooral bedreven in het opleggen van verboden. Waarvoor burgers moeten leven, vechten en sterven, krijgt minder duidelijk vorm.
Kirills boek levert een bijdrage aan deze ideologische zoektocht. Het bevat de vertrouwde bestanddelen: orthodoxie, traditionele waarden, een bijzondere Russische ontwikkelingsweg en een spiritueel ‘leeg’ Westen. De presentatie is weinig toegankelijk. Herhalingen en ambtelijke formuleringen overheersen, een doorlopend betoog ontbreekt vrijwel geheel.
Constructies
Oorlog. Voorbij de zichtbare oorzaken en gevolgen is strikt genomen niet door Kirill zelf geschreven. In plaats daarvan is de tekst door redacteuren samengesteld uit fragmenten van preken, toespraken, rapporten en openbare optredens van de patriarch. Vaak leidt dit tot ongemakkelijke constructies. Zo is het hoofdstuk ‘De religieuze dimensie van het Oekraïense conflict’ opgebouwd uit vijf grote fragmenten, die niet-chronologisch en met weinig logica aan elkaar zijn geplakt. Hierdoor zijn samenhang, structuur en context in dit boek vaak moeilijk te ontwarren; er is vooral sprake van herhaling.
Met deze methode kunnen jaren aan toespraken betrekkelijk snel worden verwerkt tot een boek over een gekozen onderwerp. In het geval van ‘Oorlog’ levert dat een tekst op waarin de concrete werkelijkheid nauwelijks voorkomt. Plaatsen, data, politieke besluiten en afzonderlijke oorlogsgebeurtenissen blijven buiten beeld. Het woord Oekraïne verschijnt volgens Venjavkin pas op pagina 177.
De ‘Grote Vaderlandse Oorlog’ (zo heet de Tweede Wereldoorlog in Rusland, al sinds de tijd van de Sovjet-Unie) neemt daarentegen een centrale plaats in. Kirill gebruikt de Sovjetstrijd tegen nazi-Duitsland als sleutel tot de Russische geschiedenis. Hij geeft die oorlog een heilige betekenis: het Sovjetvolk zou door zijn lijden hebben geboet voor de strijd tegen God in de eerste decennia na de revolutie. De militaire ommekeer na de rampen van 1941 verklaart hij vanuit een terugkeer naar het christelijke geloof. Hij gebruikt hierbij het verhaal van de Tweede Wereldoorlog als ‘heilige oorlog’, dat vooral sinds de jaren negentig in de Russische kerk opnieuw opkwam, terwijl in de tijd van het atheïstische Sovjetregime natuurlijk niet officieel sprake kon zijn van een ‘heilige oorlog’.
Sneuvelen als vorm van zelfopoffering
Kirill neemt geen afstand van de Sovjetcultus rond de Overwinning, maar versterkt deze juist door er een religieuze interpretatie aan te geven: in een ‘heilige oorlog’ krijgt iedere daad van soldaten een christelijke betekenis. Sneuvelen op het slagveld wordt gereinterpreteerd als heroïsche zelfopoffering, vergelijkbaar met de kruisiging van Christus, of de soldaat nu gelovig was of niet: het gaat om de zaak waarvoor hij zijn leven gaf.
Kirill past dezelfde benadering toe op andere oorlogen, waaronder de Russisch-Turkse oorlogen, de Eerste Wereldoorlog en het conflict in Joegoslavië. Steeds verschijnt Rusland als verdediger van christendom en rechtvaardigheid. Hoewel staten, legers en omstandigheden veranderen, krijgen de tegenstanders telkens de rol van hetzelfde terugkerende kwaad: zij die het ‘christusbeminnende Rusland’ bestrijden. Dat maakt het mogelijk ook de huidige oorlog in Oekraïne los te behandelen van de concrete omstandigheden en besluiten die eraan voorafgingen. In plaats van Oekraïne expliciet te benoemen als vijand, beschrijft Kirill de strijd in Bijbelse termen als een confrontatie met vrij algemene ‘duistere machten’, en verklaart zich ervan overtuigd dat Rusland aan de kant van het licht staat.
Deze intellectuele constructie wordt in het boek ondersteund door talloze illustraties. Iconen, religieuze schilderijen, historische veldslagen, Sovjetoorlogstaferelen en afbeeldingen van de huidige oorlog volgen elkaar op. Heiligen, historische verdedigers van Rusland en strijders uit het huidige conflict worden opgenomen in dezelfde beeldreeks. Zo vervagen de verschillen tussen tijdperken en politieke regimes. De lezer krijgt een Russische geschiedenis voorgeschoteld waarin elke oorlog onderdeel lijkt van één voortdurende heilige strijd.
Kirill vraagt zijn lezers de werkelijkheid te beoordelen vanuit het vooruitzicht op verlossing. Politieke afwegingen, economische gevolgen en militaire fouten worden ondergeschikt aan de veronderstelde geestelijke betekenis van de oorlog. Mislukte operaties of aanvallen waarbij grote aantallen soldaten worden opgeofferd, kunnen binnen dit denkkader die betekenis niet aantasten: het conflict blijft een ‘heilige oorlog’ waarvan de rechtvaardiging al op voorbaat vaststaat.

Religieuze meetlat
Zodoende bekijkt Kirill de gehele Russische geschiedenis op een andere manier. Ook historische leiders worden langs een religieuze meetlat gelegd. Stalins misdaden raken op de achtergrond tegenover de gedeeltelijke rehabilitatie van de kerk in 1943, terwijl Nikita Chroesjtsjov, die vanaf 1958 de kerkvervolgingen weer intensiveerde, juist nadrukkelijk minachting krijgt vanwege zijn toewijding aan het communisme. Voor Kirill is niets belangrijker voor een heerser dan de mate waarin hij het Russische volk dichterbij, dan wel verder weg van het geloof heeft gebracht.
Voor het individu wordt de bereidheid tot zelfopoffering de belangrijkste maatstaf. Kirill bewondert de soldaat die een zekere dood tegemoet gaat en zijn leven voor anderen geeft. Het onderscheid tussen een martelaar die sterft voor zijn geloof en een militair die een bevel uitvoert, vervaagt. De patriarch presenteert die offerbereidheid bovendien als iets dat de Russische mens onderscheidt van de Westerse mens, wiens leven beheerst zou worden door individualisme, consumptie en comfort.
Hieraan verbindt Kirill een politieke conclusie. Wanneer de rechtvaardigheid van Ruslands oorlog vaststaat, kan het uitblijven van een overwinning geen aanleiding zijn om die oorlog zelf ter discussie te stellen. De verklaring wordt gezocht in onvoldoende inzet. Strijdkrachten, politieke krachten en ook de kerk moeten verder worden gemobiliseerd. Ook vrijheid krijgt binnen deze gedachtegang een specifieke betekenis: de mens toont zich vrij door zich vrijwillig aan de gemeenschappelijke strijd te onderwerpen en zo nodig zijn leven te geven.
Stalinisme
De conclusie van het boek is duidelijk. De lezer wordt eerst voorgesteld de oorlog niet langer te beoordelen aan de hand van zijn zichtbare oorzaken en gevolgen, vervolgens het offer te aanvaarden als de hoogste uiting van menselijke waardigheid, en ten slotte ermee in te stemmen dat het antwoord op het uitblijven van een overwinning alleen maar een nog grotere mobilisatie kan zijn.
Het is niet te verwachten dat het boek veel vrijwillige lezers zal trekken. Daarvoor is het te herhalend en te weinig samenhangend. De politieke betekenis hangt echter niet uitsluitend af van het lezersbereik. Er is een vergelijking te maken met de jaren dertig onder Stalin, toen schrijvers, historici en instellingen samen een repertoire van toegestane, ‘juiste’ verhalen ontwikkelden. Ook nu kunnen afzonderlijke publicaties bijdragen aan een gemeenschappelijke ideologische taal, zonder dat één boek voor iedereen richtinggevend wordt. Zolang die ideologie onvoltooid blijft, behoudt Poetin bovendien zijn rol als laatste uitlegger. Alleen hij kan uiteindelijk bepalen wat de geschiedenis op een bepaald moment precies van Rusland verlangt: moet er worden doorgevochten tot de volledige overwinning, of is het tijd om over een wapenstilstand te spreken?
Voor de Russisch-Orthodoxe Kerk heeft Kirills boek al een duidelijke functie. Het biedt geestelijken een taal waarmee zij de oorlog aan gelovigen kunnen uitleggen, offers kunnen verheerlijken en verdere mobilisatie kunnen bepleiten. Daarin schuilt het gevaar: binnen een van Ruslands invloedrijkste instellingen krijgt een leer vorm die de dood op het slagveld voorstelt als een weg naar de hoogste deugd. De literaire zwakte van het boek doet aan die betekenis weinig af.







