Geestdrift & ophef

Een patriarch uit Mardin op rondreis door Nederland.

Het was een hete dag in september 2025 en ik stond in een katholieke kerk in de stad Mardin. Na een indrukwekkende rondreis langs de Suryoye gemeenschappen in Tur Abdin, Zuidoost-Turkije, zag ik ineens een bekend gezicht. Vanaf een schilderij aan de wand keek een man mij met een ernstige blik aan. Die blik kende ik ergens van. Voordat ik aan deze reis met een groep Syrisch-orthodoxe christenen begon, had ik de collectie van Museum Catharijneconvent – waar ik als conservator werk – geraadpleegd. Hebben we Syrisch-orthodoxe objecten in onze collectie? Nee. Wel een prent met een portret van Ignatius Antonius Samhiri, patriarch van de Syrisch-katholieke kerk van 1853 tot 1864. Het was deze Samhiri die ik herkende op het schilderij. Zo begon mijn zoektocht naar de connectie tussen een Utrechtse museumcollectie en een Syrisch-katholieke kerk in Zuidoost-Turkije.

Ignatius Antonius Samhiri

Antonius Samhiri werd geboren in een Syrisch-orthodoxe familie in Mosul in 1801. Zijn levensverhaal kennen we dankzij het boek De Syrische Katholijken en hunne patriarch Mgr. Ignatius-Antonius Samhiri, in 1855 uitgegeven en geschreven (in het Franse origineel) door zijn secretaris en vertaler, Joannes Mamarbaschi. Op jonge leeftijd vertrekt Samhiri naar Mardin, waar hij de Syrisch-orthodoxe patriarch gaat dienen in het Mor Hananyo-klooster. De patriarch herkende zijn capaciteiten, stelde hem aan als zijn secretaris, later als zijn plaatsvervanger (vicaris) en beschouwde hem als zijn beoogd opvolger. Vol overtuiging bestrijdt Samhiri Syrisch-orthodoxe christenen die zich bekeren tot het katholicisme, totdat hij – zo vertelt Mamarbaschi – in 1827 in de bibliotheek van het klooster boeken leest die hem overtuigen van de waarheid van het katholieke geloof.

Vele jaren van strijd volgen tussen de Syrisch-orthodoxen en de Syrisch-katholiek geworden Samhiri. Samhiri wordt gevangengenomen, moet vluchten uit Mardin, en zou zelfs bedreigd zijn met de dood. Katholieke bronnen noemen de Syrisch-orthodoxe kerk een ‘sekte’, ‘lafhartig’ en ‘ketters’. We horen hier maar één kant van het verhaal, maar duidelijk is wel: de verhoudingen waren niet goed.

In 1850 vallen Turkse inwoners in Aleppo de lokale Syrisch-katholieke gemeenschap aan, inclusief hun patriarch die daar dan woont. Dankzij ingrijpen van de Franse consul kan de patriarch worden gered, maar alle katholieke kerken en erfgoed gaan verloren in een verwoestende brand. Als in 1851 de patriarch overlijdt, wordt Samhiri in november 1853 aangesteld als zijn opvolger. Het volgend voorjaar reist hij naar Rome om zijn benoeming daar in een plechtigheid in de Sint-Pieter door de paus officieel bevestigd te krijgen. De jaren daarna reist hij door Frankrijk, België en Nederland, om uiteindelijk in 1858 terug te keren naar Mardin, waar hij de zetel van het patriarchaat naartoe had verplaatst. In 1860 wordt het kerkgebouw gebouwd dat ik afgelopen september bezocht, en in 1864 komt Samhiri te overlijden.

Rondreis door Nederland

Samhiri blijkt dus drie maanden door Nederland te hebben gereisd. Hij heeft zelfs Utrecht bezocht. Zou daar een link met de prent in Museum Catharijneconvent kunnen liggen?

In het boek De Herlevende Kerk in Syrië. Mgr. Ign. Ant. Samhiri, patriarch van Antiochië (1855) beschrijft de auteur J.W. Cramer hoe Samhiri na zijn vertrek vanuit Rome naar Frankrijk reist, waar keizer Napoleon III de kersverse patriarch ontvangt en hem onderscheidt met het ‘Legioen van Eer’. Vervolgens wordt hij in 1855 in België ontvangen, en benoemd tot officier in de Leopoldsorde. Met zoveel eer overladen, komt hij uiteindelijk halverwege november van hetzelfde jaar aan in Nederland, maar niet na een opmerkelijke tussenstop in de Sint-Jakobskerk te Antwerpen. Aldaar opent men in oktober op verzoek van de patriarch het graf van Rubens, maar: ‘Men heeft vruchteloos gepoogd het stof des wereldberoemden kunstenaers van het overige te onderscheiden’. Blijkbaar had de patriarch speciale interesse in deze schilder.

Het intensieve reisschema van de patriarch tijdens zijn drie maanden durende verblijf in Nederland kan grotendeels gereconstrueerd worden dankzij de vele krantenberichten die via Delpher te raadplegen zijn:

  • 17 november 1855 arriveert hij in Breda, na een paar dagen verblijf in Hoeven.
  • 19 november naar Tilburg.
  • 21 november naar Den Bosch.
  • Zaterdag 24 november naar Grave.
  • Zondagmiddag 25 november aangekomen te Nijmegen.
  • 27 november naar Venlo.
  • 8 december naar Maastricht.
  • 11 december per Maasboot naar Roermond. Vandaar naar Weert.
  • Op vrijdag 14 december, onderweg vanuit Brabant naar Holland met stoomboot, moet hij ‘door het gestremde water’ bij Utrecht afstappen en bij de paters Augustijnen overnachten.
  • Zaterdag 15 december ‘s ochtends mis opgevoerd en daarna vertrokken naar Rotterdam (?).
  • 18 december aangekomen te Amsterdam.
  • Op zaterdag 22 december te Leiden ontvangen.
  • Maandag 24 december naar seminarie te Warmond, aldaar ontvangen door de bisschop van Haarlem.
  • Eerste kerstdag seminarie van Voorhout bezocht.
  • Op 26 december naar Katwijk. Daarna naar Den Haag.
  • Maandag 31 december naar Delft.
  • Op 1 januari 1856 van Delft naar Schiedam.
  • Donderdag 3 januari van Schiedam naar Rotterdam, verblijft bij de Steigerkerk.
  • 7 januari naar Gouda.
  • 10 januari naar Haarlem en Vogelenzang.
  • 13 januari in Utrecht gearriveerd, op treinstation verwelkomd door ‘de pastoor der Augustijnen’, waarschijnlijk is dit pater Stappershoef.
  • Tijdens zijn verblijf te Utrecht op 24 januari naar het seminarie Kuilenburg (Culemborg) gegaan. Op de terugweg Schalkwijk bezocht.
  • 26 januari naar Rotterdam.
  • Op 29 januari te Schiedam een (stuk hout bestemd voor de kiel van een) schip gedoopt met de naam “Patriarch Samhiri”. Dit schip zou nog jaren op Indonesië varen.
  • Zondagavond 10 februari gearriveerd te Rolduc met o.a. Pastoor Van Ewijk uit Schiedam, met wie hij een bijzondere band lijkt te hebben ontwikkeld.
  • Op woensdag 13 februari 1856 uit Nederland vertrokken.

Tijdens zijn reis ontmoet de patriarch diverse hoogwaardigheidsbekleders zoals de bisschop van het betreffende bisdom, en bezoekt diaconale initiatieven. Zo bezoekt hij te Den Haag de pauselijke nuntius, de Vincentiusvereniging, de Liduina vrouwenvereniging en de Armenscholen. De mensen die hij ontmoet bemoedigt hij met een woord, een lied, een gebed en de zegen. Op de meeste plekken voert de patriarch ’s ochtends en ‘s avonds de mis op, elke keer in een andere parochie. In Amsterdam gaat hij zo in vier dagen voor in acht kerken. De oosterse ritus baart overal veel opzien bij de bezoekers.

Bron: ABM g1712 Collectie Museum Catharijneconvent

Doel van de reis

Overal waar de patriarch voorgaat in de mis wordt gecollecteerd voor ‘de kerk in Syrië’. Nu is de kerk te Mardin waar ik in september het schilderij van Patriarch Samhiri tegenkwam, in 1860 door de patriarch gebouwd, twee jaar na zijn terugkomst uit Europa. Zou deze kerk met Nederlands geld gebouwd kunnen zijn? Mardin ligt tegenwoordig in Turkije, dertig kilometer van de grens met Syrië. Mamarbaschi stelt in zijn boek onomwonden het doel van de reis vast: ‘Het doel van deze zijne reis is geweest van aldaar de geldmiddelen in te zamelen welke hij noodig heeft om den zegepraal van het katholijk geloof onder zijne natie te verzekeren’ (39-40). Hij schrijft hoe sinds de verwoestingen in Aleppo 1850 de patriarchale Syrisch-katholieke kerk niets meer bezit, en concludeert dat het daarom noodzakelijk is te Mardin(o) op te richten:

  1. Een seminarie om Syrisch-katholieke pastores op te leiden.
  2. Een kerk die de vele Syrisch-katholieke gelovigen in Mardin kan bevatten.
  3. Een woonplaats voor de patriarch.

De Syrisch-katholieke kerk te Mardin is dus hoogstwaarschijnlijk mede dankzij de collectes van Nederlandse katholieken gebouwd.

Geestdrift

De mediaberichten uit 1855-1856 wekken de indruk dat het bezoek van de patriarch de nodige opwinding veroorzaakt. Het katholieke dagblad De Tijd doet verslag van de rondreis. In Breda leidt de patriarch de mis in drie parochies, telkens door ‘een groote menigte volks bijgewoond’. Vermoedelijk waren de missen in het Aramees, en verliep de verdere communicatie met de patriarch in het Frans. In Den Bosch rapporteert men een ‘toevloed van groot aantal gelovigen’, in Grave een ‘talrijke van buiten toegestroomde menigte’, in Maastricht een ‘schrikkelijk grooten toeloop van menschen’, en ga zo maar door. De patriarch wordt geroemd om zijn ‘eenvoudige majesteit’ en omschreven als ‘martelaar des geloofs’ vanwege de vervolgingen en martelingen die hij heeft moeten doorstaan. Hij wordt vergeleken met een aartsvader, Bonifatius, Willibrord, of Augustinus. Bij het afscheid te Grave schaart heel de menigte zich aan de Maasoever om afscheid te nemen ‘zoals de apostel Paulus aan de Efeziërs’ in Handelingen 20.

Een andere indicatie van de populariteit van de patriarch is de genoemde publicatie van J.W. Cramer: deze is al in 1855 aan een zesde druk toe. Overigens dient de eerlijkheid te vermelden dat Cramer zwaar leunt op Mamarbaschi’s boek. Hij heeft diens werk lichtelijk geparafraseerd in iets soepeler en bloemrijker Nederlands, wat details weggelaten die voor een Nederlands publiek minder relevant zijn, en voorzien van een proloog en een epiloog. Zijn eigen toevoegingen geven een politiek, bijna eschatologisch tintje aan het bezoek van de patriarch. Cramer stelt dat de steun van Nederlandse katholieken niet alleen bijdraagt aan de bouw van een kerkgebouw voor de Syrische katholieken, maar ook aan ‘wedergeboorte van het Oosten’ en ‘zijne politieke hernieuwing’ (56). Christenen in Klein-Azië hebben volgens hem een speciale roeping, en moeten daarin ondersteund worden. ‘Dat Syrië, waar de kern zich moet vormen der christelijke beschaving die het Oosten hernieuwen moet, dat Syrië ziet de ketterij [het orthodoxe christendom] gefnuikt in zijn midden, het mahommedanismus [de islam] magteloos gemaakt, de Kerk herrezen en zich gereed makende tot de vervulling van hare vreedzame taak’ (58). ‘Oudtijds ging men zelf, ter bereiking van dat doel, naar het Oosten en gaf men er zijn leven voor ten beste. Thans worden slechts gebeden en liefde-offers gevraagd. Wie kan ze weigeren?’ (59)

Bezoek aan Utrecht

Samhiri bezoekt ‘de grijze bisschopstad’ tweemaal. De eerste keer moet hij er onverwacht overnachten wegens pech onderweg, van 13 op 14 december 1855. Hij vindt onderdak bij de paters Augustijnen; als dank voor hun gastvrijheid overhandigt hij hun een portret van zichzelf. De vraag rijst natuurlijk direct: zou dit de prent in Museum Catharijneconvent kunnen zijn? Die stamt ook uit 1855, maar daarover straks meer. Want tijdens het tweede bezoek van de patriarch aan Utrecht van 13 tot 26 januari 1856 ontstaat er ophef. Opnieuw verblijft hij bij de paters Augustijnen en op 14 januari gaat hij voor in de Sint-Catharinakathedraal, direct naast het latere Museum Catharijneconvent gelegen. Ook in de Sint-Augustinuskerk leidt hij een mis, waar men een ‘prachtige troon in oosterse stijl opgericht’ heeft. En dan verschijnt er op 6 februari een artikel in de Utrechtse Courant, overgenomen uit De Tijd, waarin beschreven wordt hoe ‘aandoenlijk’ men het vindt dat onder de ‘toevloed van duizenden’, ook protestanten zijn die aan de voeten van de patriarch gaan liggen en zijn hand kussen om zijn zegen te mogen ontvangen.

Dat schiet enkele protestante lezers in het verkeerde keelgat. In de gereformeerde krant De Bazuin verschijnt een ingezonden protestbrief: ‘Zoo diep onteerende taal mogen we niet stilzwijgend voorbij laten gaan’. De briefschrijvers vragen degene die het bericht in De Tijd heeft geschreven aan te geven wie die protestanten waren die ‘zich zoo diep verlaagd en zoo zeer bezondigd’ hebben dat zij een mens dergelijke ‘afgodische eer bewijzen’. Ze vermanen de schrijver, dat als hij dit niet kan bewijzen, ze zijn bericht als ‘laster en logentaal’ zullen beschouwen. Fake news dus!

Op 13 februari volgt een antwoord van katholieke zijde. De schrijver wijst het ‘troepje heethoofdige en spijtige protestanten, die zelf hun naam verzwijgen’ op het gegeven dat juist zij als protestanten gewetensvrijheid altijd zo belangrijk zeggen te vinden. Wie geeft hen dan het recht om mensen die vanuit oprechte eerbied voor de patriarch handelen, te beoordelen?

In reactie hierop publiceren de protestante auteurs een katern met daarin het gehele mediadebat becommentarieerd. Ze betwijfelen de echtheid van de berichtgeving, ontkennen dat het bezoek van Samhiri enige indruk heeft gemaakt of mensenmassa’s op de been heeft gebracht, en ontkennen dat ‘de Kerk van Rome ergens ter wereld vervolgd’ wordt. Wel wordt benoemd dat juist katholieken de protestanten ‘den oorlog aandoe[n]’. Ze stellen dat elke protestant die knielt voor een mens, ophoudt met protestant zijn. Als iemand dat toch heeft gedaan en uit vrije wil handelde, beschouwen ze die persoon als Rooms, en als iemand dat doet onder groepsdruk, is het volgens hen een lafaard… Ook dit katern is in 1856 al aan een vijfde druk toe. 

Afbeelding afkomstig uit: RP-P-1905-5048 Collectie Rijksmuseum

Het portret van de patriarch

Behalve de prent in de collectie van Museum Catharijneconvent, heeft ook het Rijksmuseum een (andere) prent van de patriarch in de collectie. De Utrechtse prent bevat een Psalmtekst in het Frans (Psalm 121:1 ‘Ik sla mijn ogen op naar de bergen. Van waar komt mijn hulp?’), op de Amsterdamse prent toont de patriarch zijn ‘Legioen van Eer’-medaille. Beide prenten dateren uit 1855, zijn vervaardigd door Zéphirin Félix Jean Marius Belliard en gedrukt door Auguste Bry, een uitgever in Parijs. Belliard heeft nog een derde prent van de patriarch gemaakt die ik nog niet heb kunnen traceren.  

Op Delpher vinden we een advertentie in De Tijd op 25 december 1855 van de Gebroeders Verhoeven te Den Bosch voor een portret van de patriarch in twee verschillende formaten (quarto voor 50 cent, folio voor een gulden). Dit betreffen vermoedelijk dezelfde Franse portretten. Er wordt gewaarschuwd voor oplichting: ‘Geene portretten mogen voor echt erkend worden dan die, welke met het wapen van Mgr. Samhiri gestempeld zijn’. Beide museale prenten zijn voorzien van dit wapen.

Wat weten we van de herkomst van de Utrechtse prent? Die is afkomstig uit het zogenaamde ‘oude bezit’ van het Aartsbisschoppelijk Museum te Utrecht. Dat wil zeggen dat het verzameld is door Van Heukelum, één van de grondleggers van de collectie van Museum Catharijneconvent. Van Heukelum zit vanaf 1848 op het seminarie in Voorhout (waar de patriarch op eerste kerstdag in 1855 langskomt), en doet in 1855 toelatingsexamen om naar Culemborg te mogen (waar de patriarch in januari 1856 langskomt). Gezien alle reuring omtrent het bezoek van de patriarch is het aannemelijk dat dit Van Heukelum niet zal zijn ontgaan. In 1859 komt Van Heukelum naar Utrecht als priester van de Sint-Catharinakathedraal. De prent kan op verschillende manieren in zijn bezit zijn gekomen. Van Heukelum verzamelt al tijdens zijn studie kunst, en kan de prent gekocht of gekregen hebben voor zijn Aartsbisschoppelijk Museum in het voormalige convent naast de kathedraal. Of zouden de paters Augustijnen het portret dat zij van de patriarch ontvingen later aan Van Heukelum gegeven hebben, en heeft Museum Catharijneconvent dit geschenk van de patriarch zelf in bezit?

Tot slot

Het bezoek van patriarch Samhiri aan Nederland kreeg destijds behoorlijke media-aandacht binnen de Nederlandse katholieke gemeenschap. Zeventig jaar later, in 1925, beschrijft iemand nog hoe hij had meegemaakt dat oudere geestelijken in het seminarie Warmond herinneringen ophaalden aan het bezoek van de patriarch en vertelden hoe zij als studenten hun gehele portemonnee leegden voor de collecte voor Syrische christenen.

Een patriarch hebben we sindsdien (nog) niet in Museum Catharijneconvent mogen verwelkomen, maar we hebben recent wel onze museumcollectie kunnen uitbreiden. In december 2025 hebben we een Syrisch-orthodoxe doopjurk mogen toevoegen aan onze collectie dankzij een schenking van de familie Yetim. Dit helpt ons als museum van kunst en erfgoed van het Nederlands christendom om zowel katholiek, protestants als orthodox erfgoed onder één dak te kunnen verenigen en zo verhalen te kunnen vertellen over de diversiteit van het christendom in Nederland.

Verder Lezen

  • J. Mamarbaschi, De Syrische Katholijken en hunne patriarch Mgr. Ignatius-Antonius Samhiri (Breda, Hermans: 1855).
  • J.W. Cramer, De Herlevende Kerk in Syrië, Mgr. J.A. Samhiri, Patriarch van Antiochië (Amsterdam, Van Langenhuysen: 1855).
  • “De Tijd der Jezuiten en “Het Protest” uit Utrecht. Historische herinnering uit de geschiedenis van het bezoek van den heer Samhiri te Utrecht, den 13 Januarij 1856 (Utrecht, J.H.Siddré: 1856).
  • C.A. Frazee, Catholics and Sultans: The Church and the Ottoman Empire 1453–1923 (Cambridge, Cambridge University Press: 2006).
  • Inventaire du fonds français après 1800 (Parijs, Nationale Bibliotheek: 1930)
  • A.J. Looyenga, ‘Heukelum, Gerardus Wilhelmus van (1834-1910)’, in: Biografisch Woordenboek van Nederland (Amsterdam, Huygens ING: 2013). http://resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/bwn2/heukelum

Auteur

Deze website maakt gebruik van cookies om inzicht te krijgen in websiteverkeer en gebruikers van de website.