Op 20 juli is het de feestdag van de profeet Elia. Een passend moment daarom om iets te schrijven over deze icoon van Elia in de woestijn, zittend in de schaduw van een rots, gevoed door een raaf.

(Foto/Icoon: eigendom Heleen Murre van den Berg)
Elia en de kracht van de elementen
Ook de profeten vinden de weg op oosterse iconen, en – denk aan Het leven van Mozes van Gregorius van Nyssa – naar de gedachtes en reflecties van de kerkvaders. Binnen de oosters-orthodoxe traditie wordt Elia – de oudtestamentische profeet die uiteindelijk in een vurige wagen ten hemel opsteeg – gezien als een voorafbeelding van Johannes de Doper en van de wederkomst van Christus. Vooral de boeken Koningen I en II vertellen het verhaal van zijn missie voor God in Israël, zijn strijd tegen de afgoderij en zijn wonderbaarlijke redding in de woestijn, waar hij onder meer door raven wordt gevoed.
Ik realiseerde me nooit eerder hoe passend deze dag midden in de zomer is bij het verhaal van Elia: de kracht van de elementen – hitte en droogte, regen en vuur, storm en wind – speelt een belangrijke rol in het verhaal. Dat begint met de driejarige droogte die Elia aan koning Achab aankondigt als straf voor het feit dat hij Baäl en Ashtarte als concurrerende goden Israël binnenbracht. Die droogte, die Elia deels in de woestijn ten oosten van de Jordaan doorbrengt, wordt beëindigd nadat Elia de priesters van deze concurrenten op de berg Karmel met grote woorden uitdaagde te bewijzen dat hun goden op z’n minst in staat zijn een dierenoffer op de kurkdroge berg aan te steken. Dat lukt hen natuurlijk niet, terwijl de god van Elia – de Heer van Israël – met een grote klap het door Elia kletsnat gemaakte altaar en alles erom heen tot as verteert (I Kon 17-18).
Dat machtsvertoon leidt tot het einde van de droogte. Een piepklein wolkje groeit razendsnel uit tot een enorme bui waardoorheen Elia triomfantelijk, voor Achab in zijn wagen uit, naar het paleis rent. Maar Izebel, de buitenlandse vrouw van Achab, wil haar verlies nog niet toegeven en dreigt Elia te vermoorden. Hij vlucht opnieuw naar de woestijn, nu naar het zuiden, uitgeput en depressief. Uiteindelijk komt hij ver in het zuiden terecht, waar hij bij de berg Horeb, “de berg van God” – meestal geassocieerd met de berg Sinaï, waar Mozes de wet van God ontving – uiteindelijk na storm, aardbeving en vuur, God ontmoet in “het gefluister van een zachte bries” (1 Kon 19).
Zijn werk blijkt nog niet af, hij krijgt de opdracht een concurrent voor Achab te zalven en daarmee klaar te maken voor de strijd. En hij moet alvast z’n eigen opvolger zalven, Elisa, die op een andere manier zijn strijd zal voortzetten. In de volgende hoofdstukken in Koningen (I, 20-22 en II, 1) vinden er nog twee gewelddadige confrontaties plaats, eerst tussen Elia en Achab – die in tegenstelling tot Izebel uiteindelijk tot inkeer komt – en met Achabs zoon en opvolger Achazja, die dit met de dood moet bekopen. Het slot komt dan in het volgende hoofdstuk (I Kon 2), waar Elia in de woestijn aan de oostkant van de Jordaan ter hoogte van Jericho, in een stormwind, in een wagen van vuur, met paarden van vuur, naar de hemel wordt weggevoerd.
Het is die vurige afbeelding die meestal met deze dag in juli verbonden wordt. Het verbeeldt het einde van Elia, helemaal in stijl met de grote confrontatie met de priesters van Baäl en Ashtarte, zijn macht over de elementen bevestigd voor zijn opvolger Elisa en voor ons, latere lezers van deze verhalen – de overwinning op de elementen, regen na droogte, de Heer van Israël in plaats van de afgoden.
Waarom juist deze icoon?
Dat is echter niet de icoon die vandaag centraal staat, en daarmee ook niet de reden dat ik ooit deze icoon uitkoos toen ik op het Griekse eiland Skopelos een mooie collectie Athos-iconen tegenkwam. Door en door protestants had ik niet zoveel met Maria, en al helemaal niet met allerlei na-bijbelse heiligen. De oudtestamentische figuur van Elia was me vertrouwder, en dat te meer omdat ik in die tijd ook het land waarin die verhalen zich afspelen beter had leren kennen, de stadjes, maar vooral ook de woestijnen en het Karmelgebergte, inclusief de zinderende hitte en het verlangen naar regen – waar we inmiddels in Nederland ook over mee kunnen praten. In de Karmel kende ik ook Muhraqa, de prachtige plek waar de religieuzen van de orde van de Karmelieten Elias confrontatie met de afgodspriesters situeren, de top van waaruit je het hele landschap in alle richtingen – zee, bergen, vruchtbare vlakte, woestijnen – kan overzien.
Maar ik koos deze icoon ook omdat hier een andere kant van Elia zichtbaar is, de kant van degene die moet wachten, die op de vlucht is, die niet weet waar het naar toe gaat, die tegen het depressieve aan zit. We zien Elia hier tijdens z’n eerste verblijf in de woestijn – hij heeft Achab en Izebel de wacht aangezegd, en heeft zich teruggetrokken op een plek in de woestijn, bij de beek Kerit, waar vooralsnog water is, en waar raven (of ‘Arabieren’ als je de Hebreeuwse tekst iets anders leest) hem brood komen brengen. Afhankelijk, wachtend op wat er gebeuren gaat, of Achab en Izebel tot inkeer zullen komen, of de droogte verandering zal brengen. En misschien gaandeweg ook wel wat verbitterd; wat heeft mijn werk voor zin, waarom zou ik me druk maken over deze droogte?
Gevoed voor een nieuwe opdracht
Als het beekje droog komt te staan komt Elia terecht in de buurt van Sidon – Sayda in het huidige Libanon – waar zijn komst de redding blijkt voor een weduwe en haar zoon: met Elia erbij raken het meel in de pot en de olie in het kruikje niet op, ze kunnen er met z’n drieën van leven. Voor even is het een ideale schuilplaats, waar de ellende van de droogte en de frustraties over het profeetschap buiten beeld raken. Dan overlijdt plots de jongen en het verdriet en de verwijten van de moeder schudden Elia wakker. Althans, zo gaat het in de versie van Jakob van Saroeg, de Syrische theoloog-dichter (c. 452-521) die een prachtige cyclus van gedichten over Elia schreef. Jakob denkt dat Elia misschien wat al te veel op z’n gemak was geraakt bij de weduwe en zich niet meer druk maakte over de hongersnood in het land. De dood van de jongen was nodig om Elia weer te laten voelen waar het over ging: “toen hij God smeekte om het leven van de dode, verzachtte hij, zodat ook hij genade kon opbrengen voor degenen die hem smeekten” (Memra I, deel III) – de Israëlieten die zuchtten onder de hongersnood.
Die lezing geeft een nieuwe kleur aan die icoon die al zo lang met me meegaat – de al te menselijke heilige, die groots en meeslepend kon ijveren, maar ook depressief in de woestijn ronddwaalde. Die kon wachten op wat de vogels kwamen brengen – brood dat verdacht veel op eucharistisch brood lijkt – maar die ook het risico liep daarin te blijven hangen en z’n opdracht te vergeten. Die God hoorde in de zachte bries, en daarna weer opstaat en verder trekt.
Auteur
-
Bekijk BerichtenProf. Dr. Heleen Murre-van den Berg is hoogleraar ‘Mondiaal christendom’ aan de faculteit filosofie, theologie, religiewetenschappen van de Radboud Universiteit. Zij is gespecialiseerd op de christenen in het Midden Oosten. Heleen Murre-van den Berg is tevens oud-decaan van de faculteit, en oud-directeur van het IvOC. Zij is verder aan het IvOC verbonden als geassocieerd onderzoeker.







