“Vergeet God niet!” – Gedachtenis van de heilige Alexander Schmorrell

Op 13 juli is de herdenkingsdag van de marteldood van Alexander Schmorell, een heilige-vredestichter die door het bisdom Berlijn en Duitsland van de Russisch-Orthodoxe Kerk Buiten Rusland (ROCOR) werd heiligverklaard na de hereniging met het Patriarchaat van Moskou. Ondanks zijn heiligverklaring is de heilige Alexander van München nooit opgenomen in de liturgische kalender van de Russisch-Orthodoxe Kerk van het Patriarchaat van Moskou.

Alexander werd op 16 september 1917 geboren in Orenburg. Zijn vader was een gerussificeerde Duitser; zijn moeder was de dochter van een orthodoxe priester. Toen Alexander twee jaar oud was, stierf zijn moeder aan tyfus. Zijn vader hertrouwde met de dochter van een brouwerij-eigenaar, eveneens van Duitse afkomst.

In 1921 wist het gezin uit Rusland naar Duitsland te vluchten. Alexanders kindermeisje, Feodosia Lapsjina, voedde hem op in het orthodoxe geloof. Omdat Feodosia geen Duits spraak, maar alleen Russisch, groeide Alexander tweetalig op. Al vanaf jonge leeftijd ging hij met haar naar de Russisch-orthodoxe kerk in München. Zij ligt nu naast hem begraven; op haar grafsteen staat het woord “Njanja” (“kindermeisje”).

Alexanders jeugd speelde zich af in München, de bakermat van het Duitse nationaalsocialisme. Hij was vijftien jaar oud toen Adolf Hitler rijkskanselier werd. Als jongen nam Alexander enthousiast deel aan verschillende nationalistische jeugdorganisaties. Dit is opmerkelijk, aangezien hij later medeoprichter werd van verzetsgroep De Witte Roos, en heilig werd verklaard als vredestichter. Hij wilde zelfs toetreden tot de SA en droomde ervan bij de cavalerie te dienen. Toen hij teruggestuurd werd naar de Hitlerjugend was hij diep teleurgesteld. Hij had kameraadschap verwacht, maar vond blinde discipline en ideologische indoctrinatie.

Nationaalsocialistisch München, en de Russische Kerk

Zijn redding was waarschijnlijk dat hij het christelijk geloof al van jongs af aan niet alleen verstandelijk, maar vooral met zijn hart had aangenomen. Zonder het misschien zelf volledig te beseffen keek hij naar de wereld door de bril van het Evangelie. Daardoor kon hij de verleiding van macht en geweld weerstaan.

Liefde voor de naaste, zelfopoffering, respect voor menselijke waardigheid en vrijheid bleken onverenigbaar met wat hij zag in de Hitlerjugend en later in de arbeidskampen, waar hij zich na zijn schooltijd vrijwillig meldde. De harde discipline, de eis van absolute gehoorzaamheid, de voortdurende controle en de onmenselijke behandeling van ondergeschikten schokten hem diep.

Hij schreef aan vrienden:

“Onze hoogste bevelhebbers hebben allemaal eerder het gezicht van wilde dieren, en geenszins een menselijke uitdrukking.”

Toch meldde hij zich later vrijwillig aan voor het leger. Slechts enkele weken daarna weigerde hij echter de eed van trouw aan Hitler af te leggen en vroeg hij ontslag uit militaire dienst. Uiteindelijk legde hij, nadat zijn commandant de zaak had laten rusten, toch de eed af.

Hij maakte de Anschluss van Oostenrijk in 1938 mee en nam later deel aan de bezetting van het Sudetenland. De pogroms tegen Joden in Linz en de moorden op Tsjechen in het Sudetenland vervulden hem met afschuw.

Daarom ging hij een opleiding tot hospik volgen en schreef zich vervolgens in voor de studie geneeskunde, in de hoop zo militaire dienst te kunnen vermijden. Dat lukte slechts gedeeltelijk: tijdens de invasie van Frankrijk in 1940 diende hij een half jaar als hospik, waarna hij terugkeerde naar de universiteit.

Liefde voor Rusland en irritatie door de kerk

Alles wat hij meemaakte maakte hem steeds zwijgzamer. Alleen de Russisch-orthodoxe Kerk gaf hem nog innerlijke kracht. Hij idealiseerde Rusland (maar niet de Sovjet-Unie) en bewonderde vooral de Russische orthodoxe gelovigen die hun vaderland hadden verloren maar hun geloof hadden behouden.

Hij schreef:

“Toon mij één volk dat sterker gelooft dan zij die na tweeëntwintig jaar vergeefse gebeden toch hun geloof hebben behouden. Zij geloven niet meer in gerechtigheid, maar zij geloven dat God hun gebed zal horen.”

De oorlog tegen de Sovjet-Unie betekende opnieuw een zware schok. Via vrienden hoorde hij over concentratiekampen, massa-executies en de vernietiging van Joden.

Steeds weer vroeg hij:

“Waarom zwijgt de geestelijkheid? Waarom staat de Kerk juist nu niet vooraan in de strijd tegen Hitlers oorlogsmachine?”

Alleen, de kerk zweeg, helaas, eigenlijk juist niet. Sommige leiders van de Russisch-Orthodoxe Kerk Buiten Rusland riepen juist op de Duitse oorlog tegen de Sovjet-Unie te steunen als een heilige strijd tegen het bolsjewisme.

“De christuslievende Leider van het Duitse volk heeft zijn zegevierende leger opgeroepen tot een nieuwe strijd – de strijd waarnaar wij al lang verlangden: de geheiligde strijd tegen de godshaters, beulen en onderdrukkers die zich in het Kremlin van Moskou hebben verschanst,” verkondigde metropoliet Serafim (Lade) van Berlijn en Duitsland van de Russisch-Orthodoxe Kerk Buiten Rusland (ROCOR) aan zijn gelovigen in juni 1941.

“Moge de Allerhoogste de grote Leider van het Duitse volk zegenen, die het zwaard heeft opgeheven tegen de vijanden van God Zelf,” voegde metropoliet Serafim (Loekjanov) van West-Europa van de ROCOR daaraan toe.

Protest: De Witte Roos

Teleurgesteld als hij was besloot Alexander zelf te zeggen wat hij van de Kerk had willen horen. Eerst begon hij samen met zijn protestantse vriend Hans Scholl pamfletten te schrijven. Later sloten Sophie Scholl, de zus van Hans, de Katholiek Willi Graf en de ongedoopte Christoph Probst zich bij hen aan. Het was de kern van de groep van dissidenten die later de naam De Witte Roos zouden krijgen. (Mede daarom is Alexander op iconen met een witte roos afgebeeld, naast een Orthodoxe kruis en met het armband van een hospik.)

In hun eerste pamflet schreven zij:

“Wie van ons beseft welke schande op ons en onze kinderen zal rusten wanneer de sluier van onze ogen valt en deze verschrikkelijke misdaden aan het licht komen?”

Aanvankelijk verstuurden zij honderden pamfletten per post. Later verspreidden zij duizenden exemplaren in verschillende Duitse steden. Tot hun arrestatie in februari 1943 publiceerden zij zes pamfletten waarin zij opriepen tot passief verzet, sabotage en verzet tegen de genocide op de Joden.

Zij schreven onder meer:

“Wilt u werkelijk met dezelfde maat gemeten worden als uw leiders? … Verberg uw lafheid niet achter de schijn van voorzichtigheid.”

En:

“Bied passief verzet, waar u zich ook bevindt; voorkom dat deze atheïstische oorlogsmachine verder raast voordat het te laat is.”

De jonge leden van de Witte Roos waren geen strijders en geen revolutionairen. Zij leken de stem van het geweten van een natie die in een diepe, bedwelmende slaap is weggezonken en niet wil ontwaken.

“Wij zwijgen niet; wij zijn jullie onzuivere geweten. De Witte Roos zal jullie geen rust gunnen.” Deze woorden uit de vierde pamflet geven de betekenis van hun moedige daad het treffendst weer.

Hun optreden had geen praktisch nut. Het kon de werkelijkheid niet veranderen: het kon de oorlog niet stoppen of de moorden niet voorkomen. Het was slechts een klein vlammetje dat verhindert dat de duisternis zich volledig sluit.

Het was de schreeuw van een christelijk hart op het moment waarop zwijgen niet langer mogelijk is.

De Nazi-overheid keek niet lang toe. In februari 1943 werden Hans en Sophie Scholl en Christoph Probst door het regime gearresteerd en omgebracht. Schmorell probeerde te ontkomen, maar dat mislukte. Ook hij werd in februari van hetzelfde jaar in een schuilkelder herkend, aangegeven en gearresteerd.

Schmorell werd op 19 april 1943 in het tweede proces tegen de Witte Roos door het Volksgerichtshof ter dood veroordeeld, op 13 juli 1943 in de gevangenis van Stadelheim geëxecuteerd met de guillotine. Hij was toen 25 jaar oud.

Gestapo-opname van Alexander Schmorrell na zijn arrestatie. Foto: Wikipedia, Public Domain

Alle foto’s van Wikipedia, Public Domain

De laatste brieven

Tien dagen voor zijn executie schreef Alexander aan zijn zus:

“Je zult verbaasd zijn dat ik met de dag rustiger en zelfs blijer word… Dit verschrikkelijke ongeluk was nodig om mij op de juiste weg te brengen. Daarom is het eigenlijk helemaal geen ongeluk. Ik dank God dat Hij mij dit teken heeft gegeven.”

Aan zijn ouders schreef hij:

“Ik ben niet bang voor de dood. Maak je dus geen zorgen. Ik weet dat ons een mooier leven wacht en dat wij elkaar zullen terugzien. De dood is geen einde, maar een geboorte, een overgang naar een nieuw, prachtig en eeuwig leven.”

Twee uur voor zijn executie vertelde hij zijn advocaat, nadat zijn gratieverzoek was afgewezen:

“U zult verbaasd zijn mij zo opgewekt te zien. Ik heb de taak van mijn leven volbracht. Zelfs als men mij nu zou vrijlaten, zou ik dat niet meer willen. Ik zou niet weten wat ik nog in deze wereld te doen had.”

In zijn laatste brief aan zijn ouders schreef hij:

“Over enkele uren zal ik in een betere wereld zijn, bij mijn moeder. Ik zal u niet vergeten en God vragen u troost en vrede te schenken. Ik zal op u wachten. Ik vraag u slechts één ding: vergeet God niet.”

Auteur

Deze website maakt gebruik van cookies om inzicht te krijgen in websiteverkeer en gebruikers van de website.