Ter aanleiding van het boek Componist van de stilte. In het voetspoor van Arvo Pärt. Twan Geurts, Amsterdam 2026. Uitgeverij Balans. ISBN 978 94638 2457 9
Rond 1985 werd Arvo Pärt (1935 – ) ook in het Nijmeegse korenwereldje ontdekt. Ik was toen ouderejaars student geschiedenis. Het was een openbaring. Ik kocht enkele cd’s en bezocht later een concert. Eén keer heb ik bij een begrafenis een deel van zijn Boetecanon mee gezongen, best pittig voor een redelijk ervaren amateur zanger en dirigent. Later verflauwde mijn belangstelling wat, maar het boek van Twan Geurts over Arvo Pärt kon ik niet laten liggen.
Geurts heeft de componist persoonlijk gekend en met hem samengewerkt. Hij heeft het grondig aangepakt en stad en land afgereisd. Hij heeft met familieleden gesproken, met dirigenten, solisten, bekenden en deskundigen, die met Pärt hebben samengewerkt. Hij heeft bronnenonderzoek gedaan in het Arvo Pärt Centrum bij het dorp Laulasmaa in Estland. In deze bespreking zal vooral worden ingegaan op de historische context en spirituele ontwikkeling van Pärt, die de basis vormt voor zijn muziek.
Van Sovjetcomponist tot internationale vernieuwer
Het eerste ensemble waarin Pärt speelde was een militaire kapel, waar hij als trommelaar nog een prijs heeft behaald. Hij studeerde uiteindelijk compositie aan het conservatorium te Tallin. Zijn docenten lieten zich toen vooral inspireren door Estse volksmuziek, soms door voorchristelijke rituelen en feesten. Maar die richtingen is Pärt niet uitgegaan. Hij werkte een tijd bij de radio als geluidstechnicus. Dat kwam hem later goed van pas. Er kwam spaarzaam informatie binnen over nieuwe westerse ontwikkelingen, bijvoorbeeld de twaalftoonsmuziek van Arnold Schönberg. Dat sprak Pärt meer aan. In Estland mocht op dat gebied toen iets meer als in Moskou. Hij had in het begin succes, maar eenmaal lid van de communistische componistenbond kreeg hij problemen. Zijn werk zou te weinig ‘realistisch’ en veel te ‘experimenteel’ zijn. Hij werd getolereerd, maar tegelijk tegengewerkt. Geurts noemt die houding van de overheid ‘schizofreen’.

Arvo Pärt (foto Arvo Pärt Centre)
Pärt heeft het niet cadeau gekregen. Hij maakte een lange inhoudelijke en persoonlijke crisis door. Er kwam weinig meer uit zijn handen. Na lang zoeken heeft hij zijn eigen stijl toch gevonden. Hij noemde het de tintinabuli-stijl, waarmee hij eerst in het Westen en later in zijn geboorteland beroemd werd. Zijn kennismaking met het gregoriaans heeft hem geholpen zijn crisis te overwinnen. “Het was alsof een venster open ging naar een wereld die ik niet kende, zonder metrum, zonder harmonie, zonder klankkleur.” (p. 100) Ook de oude muziek uit de renaissance en vroege barok maakte indruk op hem. Het gaat dan meestal muziek met een religieuze functie. De druk op hem nam toe. Hij werd uit de componistenbond gezet. In 1980 besloot hij met zijn familie te emigreren. Hij kwam in Berlijn terecht, waar hij de ruimte en de steun kreeg om zich verder te ontwikkelen. Zijn werk werd wereldwijd uitgevoerd en door gerenommeerde labels op cd uitgegeven. Na de onafhankelijkheid van Estland in 1991 ging hij pendelen tussen Estland en Berlijn. In 2018 vestigde hij zich definitief bij het Arvo Pärt Centrum en werd hij ‘levende legende, een globaal fenomeen’ (p. 26) en een ‘boegbeeld’ van de onafhankelijke Estse cultuur.
Bekering en de orthodoxe traditie
Pärt is een Estse componist, maar ook een heel universele componist. Hij gebruikt zelden de Estse taal en vaker Kerkslavisch, Latijn en moderne westerse talen. Hij volgt de orthodoxe (Byzantijnse) ritus, maar soms ook de Rooms-katholieke Latijnse ritus. Hij sluit juist niet aan bij het onderzoek naar en de bewerking van de traditionele folklore, iets dat in heel Midden- en Oost-Europa sinds eind 19de eeuw en in de late Sovjet periode in de belangstelling stond. Hij bracht iets heel nieuws, dat de grenzen van landen, culturen en kerken oversteeg en in heel de wereld opzien baarde. Hij maakte niet alleen een muzikale, maar ook een innerlijke bekering door. Hij herontdekte het christendom en sloot zich aan bij de Russisch-orthodoxe kerk. Zijn bekering zorgde later voor enig onbegrip bij zijn Westerse collega’s, die zich vaak juist van de kerk en het geloof hadden afgekeerd. Twan Geurts heeft dat onbegrip niet, maar is wel verbaasd, dat Pärt zich juist bij de Russisch-orthodoxe kerk heeft aangesloten. De actualiteit zal daarbij wel een rol hebben gespeeld.
Het is van belang te zien dat Pärts bekering plaatsvond in een andere tijd en past in een culturele ontwikkeling die je in heel de voormalig Sovjet-Unie zag. Estland maakte tussen 1941 en 1991 deel uit van de Sovjet-Unie. Dat heeft – of je wilt of niet – Estland beïnvloed. Het communisme had een culturele leegte achter gelaten. In die leegte ontstond in de late Sovjetperiode een intellectuele en culturele herwaardering van het christendom, vooral van de orthodoxe traditie, en van de eigen culturen, de zang, de iconen en de architectuur. Daar vond men inhoud en schoonheid. Je zag het in de Baltische staten, Rusland, Georgië en Armenië. Die herwaardering werd gedragen door actieve priesters en leken, waaronder intellectuelen en kunstenaars. Een deel van de mensen die het orthodoxe christendom terugvonden had een open visie en stond open voor contacten met het Westen en met andere kerken. Enkele mensen met een Joodse achtergrond sloten zich ook aan. Een bekend voorbeeld is de orthodoxe priester vader Aleksander Men’. Ook Pärts tweede vrouw Nora had een joodse achtergrond. Er was toen nog geen breuk tussen het Patriarchaat Moskou en het Oecumenische Patriarchaat. De verhoudingen zijn sindsdien verzuurd. De Russisch-orthodoxe kerk is verhard. Deze kant van de zaak valt wat buiten het gezichtsveld van Twan Geurts.
De opkomende belangstelling voor religie kon in de late Sovjetperiode nog niet openlijk getoond worden. Het kon alleen verhuld. Dat taboe heeft Arvo Pärt al in 1968 doorbroken met de première van zijn werk ‘Credo’. De tekst begint met: “Credo in Jesum Christum!” Deze bekentenis was een revolutie en sloeg in als een bom. De autoriteiten waren geschokt. Het werk van Pärt was niet meer welkom. Maar er werden originele wegen gevonden, om de muziek wel te laten horen: Een bekende van Pärt werkte in een discotheek in Riga (Letland). Daar draaide men vroeg op de avond serieuze muziek en later op de avond dansmuziek. Het lukte in 1977 om daar drie werken van Pärt met een religieus karakter uit te voeren. De discotheek viel indirect onder de communistische jongerenorganisatie Komsomol, waar toen ook net iets meer mocht. Door die dekmantel ontsnapte men aan de censuur.

Interieur van de kapel van de heilige Sofrony en Silouan te Laulasmaa (Foto: Arvo Pärt Centre)
Religieuze muziek en een universele spiritualiteit
Pärt heeft aan zijn universele oriëntatie vastgehouden. Zijn contacten met het orthodoxe klooster in Essex (Engeland) en met haar inmiddels heilig verklaarde stichter, archimandriet Sofrony (Zacharov) wijzen daar ook op. De kapel in het Arvo Pärt Centrum is niet voor niets toegewijd aan Sofrony en zijn leermeester, de monnik Silouan van de Heilige Berg Athos. Deze twee heiligen staan in de Russische traditie, maar vielen binnen het Oecumenisch Patriarchaat.
Estland is traditioneel Lutheraans. Pärt koos wellicht voor de orthodoxe traditie, omdat hij daar het mysterie en de schoonheid vond die hij zocht, en omdat zang daar een essentieel onderdeel is van de liturgie. Pärt heeft geen uitgewerkte theologie en zegt: “Kunst is niets anders dan je gedachten en spirituele waarden in een geschikte artistieke vorm gieten en uitdrukken.” (p. 82) De inhoud van zijn werk werd na zijn bekering altijd christelijk en vaak orthodox. De stijl waarin hij componeerde is niet typisch orthodox en heeft zelden een band met de traditionele Slavische of byzantijnse liturgische muziek, en ook niet met het gregoriaans of de oude muziek uit de renaissance. Stilte is een belangrijk element in zijn muziek. Maar in de orthodoxe liturgie is het nooit stil. Alles wordt gezongen, gelezen of gereciteerd. Soms hoor ik de Byzantijnse ‘ison’ (droon, bourdon-toon) terug. Ook de terts is belangrijk in Pärts muziek. Die speelt in het acht ‘tonen’ systeem van de Russische ‘obichod’ (eenvoudige parochie melodieën) een rol: een melodie en een terts hoger een parallelle melodie. Pärt heeft geen nostalgie naar oude muziek. Het zijn elementen in een nieuw uniek geheel.
In eerste instantie werd Pärt in het Westen vrij kritisch beoordeeld. Hij zou wat modieus op de New Age beweging inspelen. Later kwam er steeds meer waardering. De religieuze achtergrond van zijn werk bleef vragen oproepen. Een recensent vergelijkt Pärt met de Japanse haiku dichter Matsuo Basho. Paul Hillier, een Engelse musicoloog en dirigent die Pärt uitvoerig heeft bestudeerd, zit er waarschijnlijk dichterbij en noemt de muziek van Pärt een ‘icoon’, een venster op een diepere religieuze werkelijkheid. Hij wijst op het belang van de liturgische en spirituele teksten, die de componist vertolkt. Daarin zijn pijn, berouw, bekering, hoop en persoonlijke liefde belangrijk.
Pärts muziek is een ‘spirituele ruimte’ die voor zichzelf kan spreken. Het klikt of het klikt niet. Een star theoretisch uitgangspunt of latere verantwoording helpen niet. Hij is niet star en staat open voor verschillende interpretaties. Hij heeft zijn composities regelmatig omgewerkt voor verschillende bezettingen (bv. instrumentaal, vocaal, voor solisten of voor koor). Soms doet hij dat nog tijdens de voorbereiding van een concert of een opname in overleg met de dirigent. Dan vallen ineens de puzzelstukjes in elkaar. Geurts citeert Pärt zelf over zijn werkwijze: “De muziek bestaat al, in de wereld om ons heen, ook zonder componist. …. Zo is het ook met mijn muziek. Die bestaat al, die heb ik zelf niet bedacht. Ik haal als componist de schil van de aardappel, de muzikant kookt hem en zet hem op tafel, maar het was God die de aardappel deed groeien.” (p. 254)
Een spirituele persoonlijkheid en een indrukwekkend boek
Geurts beschrijft de componist als heel spiritueel persoon: bescheiden, serieus, stil, vriendelijk, terughoudend en dienstbaar, ook gedreven en perfectionistisch. Pärt lijkt, ook uiterlijk, een soort monnik buiten het klooster. Het boek van Geurts nadert hier een hagiografie. Dit is geen kritiek. Het is een heel lezerswaardige, integere en interessante hagiografie. Je leert het oeuvre van Pärt beter te begrijpen, ook zijn minder bekende werken. Ik heb tijdens het lezen van dit boek mijn cd’s van Pärt weer beluisterd. Het blijft bijzonder. Vooral de Boetecanon (Kanon Pokajanen) maakt veel indruk op mij en roept emotie op, wat ik bij modern klassieke muziek niet vaak heb. Met de tekst van de boetecanon heb ik wel moeite. Er komt een zwaar zondebesef in naar voren. Pärt maakt het ons niet gemakkelijk. Hij gebruikt de Kerkslavische versie van de tekst. De scherpte van de tekst (en de muziek!) wordt daardoor voor luisteraars, die geen Kerkslavisch kennen, wat verzacht. Zouden we een Nederlandse versie nog kunnen verdragen?
Componist van de stilte. In het voetspoor van Arvo Pärt. Twan Geurts, Amsterdam 2026. Uitgeverij Balans. ISBN 978 94638 2457 9
Auteur
-
Bekijk BerichtenRedactielid 'Platform Oosters Christendom'. Paul Baars is historicus, kerkzanger en lid van de Orthodoxe parochie van de Petrus en Paulus te Deventer.





